Zonde: daad of ziekte?

Jezus’ leven en missie waren gericht op het dienen van anderen en het zoeken en redden van zondaars. Hij botste vaak met farizeeën en schriftgeleerden vanwege zijn omgang met tollenaars en zondaars, wat voor hen onaanvaardbaar was. Jezus benadrukte dat hij gekomen was voor de zieken, niet voor de rechtvaardigen, en dat barmhartigheid belangrijker was dan offers. Door zijn interacties en gelijkenissen bewees Hij dat niemand te min is om gered te worden, en dat zondaars genezing nodig hebben.

Jaarthema: Leven als Jezus (V)

Jezus kwam om te dienen en om Zijn leven te geven als losprijs voor velen. Jezus kwam om het goede nieuws over Gods koninkrijk te brengen. Jezus kwam ook om zondaars te zoeken en te redden. Daardoor botste Jezus geregeld met de farizeeërs en de schriftgeleerden, die een andere kijk hadden op zonde en de omgang met zondaars dan Jezus had.

Omgaan met tollenaars
Op verschillende momenten tijdens Zijn leven op aarde krijgt Jezus stevig commentaar op de keuzes die Hij maakt. Eén punt van kritiek dat steeds weer terugkomt, is dat Jezus omgaat met tollenaars en zondaars. De farizeeën en schriftgeleerden kunnen zich niet voorstellen dat een rabbi zoiets zou doen. Maar ook de ‘gewone’ Jood heeft er moeite mee als Jezus het gezelschap opzoekt van deze mensen.

Toen Jezus van daar verderging, zag Hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en Hij zei tegen hem: ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem. Toen Hij in zijn huis aanlag voor de maaltijd, kwam er ook een groot aantal tollenaars en zondaars, die samen met Hem en zijn leerlingen aan de maaltijd deelnamen. De farizeeën zagen dit en zeiden tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw meester met tollenaars en zondaars?’ Hij hoorde dit en gaf als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’ (Matteüs  9:9-13 (In Marcus 2:13-17 en Lucas 5:29-32 staat hetzelfde verhaal met ongeveer hetzelfde antwoord.))

Wanneer de farizeeën een keer openlijk klagen dat tollenaar en zondaars Jezus opzoeken om naar Hem te luisteren, vertelt Hij drie verhalen. Het is net alsof Jezus zegt: ‘nu moet het gezeur maar eens afgelopen zijn.’ Hij vertelt over een verloren schaap, een verloren muntstuk en een verloren zoon (Lucas 15). En ieder verhaal heeft dezelfde, duidelijke conclusie:

  • Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben. (Lucas 15:7)
  • Zo, zeg Ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt. (Lucas 15:10)
  • Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. We kunnen toch alleen maar feestvieren en blij zijn? Want je broer was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” (Lucas 15:31-32)

Jezus laat er geen twijfel over bestaan. Hij is gekomen om zondaars op te zoeken, om te redden wat verloren was, om feest te vieren als een zondaar tot inkeer komt. Daarvoor legde Hij contact met mensen ‘aan de rand van de maatschappij’. Mensen die door fatsoenlijke Joden werden genegeerd of uitgescholden: hoeren, tollenaars, melaatsen en zondaars. Voor Jezus is niemand te min.

Zondaars volgens de farizeeërs
In Matteüs 9 gaat het over tollenaars en zondaars. Het is duidelijk wie tollenaars zijn. In andere gedeelten heeft Matteüs het over een heiden en een tollenaar (Matteüs 8:17) en over tollenaars en hoeren (Matteüs 21:31). Dit maakt duidelijk dat de combinatie ‘tollenaar en nog iets’ een negatieve klank heeft. Maar wat bedoelen de farizeeën en Jezus met ‘zondaars’?

In het algemeen maakten de farizeeën onderscheid tussen mensen die zich aan de reinheidswetten hielden (de havurot) en zij die dat niet deden (de ‘am hdarets). De ‘am hdarets waren mensen die zich niet strikt aan de reinigingsvoorschriften en het geven van de tienden hielden. Door hun zondige gedrag maken ze zichzelf ritueel onrein en daarom niet geschikt om aan een maaltijd met een rabbi deel te nemen. Het conflict tussen Jezus en de farizeeërs ligt in de kritiek op deze rituele scheidslijnen in de samenleving. [7A]
Volgens de farizeeën waren zondaars dus mensen die door hun levenskeuzes niet rein waren. Bijvoorbeeld vanwege hun omgang met heidenen, door seksuele onreinheid of om een andere reden. Hierbij keken de farizeeën vooral naar wat iemand deed. In de traditie van de farizeeën kon een tollenaar nooit havurot worden. Maar zodra een tollenaar vrijwillig zijn baan opgaf, dan was de weg vrij om weer als huvurot gezien te worden. [7B]. Het was de baan, de daad die de persoon onrein maakte. Een tollenaar was bij voorbaat ‘ongeschikt’, onrein, geen materiaal om mee om te gaan. Dat kon je aan de buitenkant al zien.

Voordat we de farizeeën hierom veroordelen: hoe vaak doen wij hetzelfde? We zeggen: ‘iedereen is welkom in de kerk’. Maar hoe reageren we in de volgende gevallen? Geef eens eerlijk antwoord op de vraag: ‘wat denk je?’ en ‘wat doe je?’ in het volgende geval:
– Een bekende en veroordeelde misdadiger (type Willem Holleder of Marc Dutroux) bezoekt na zijn vrijlating de diensten van de Pinkstergemeente Jozua.
– Een dakloze met smerige kleding komt binnen om de kerkdienst te volgen.
– Twee vrouwen van ongeveer dezelfde leeftijd, beiden met een identieke trouwring om en innig gearmd, komen naar binnen om de kerkdienst te volgen.
– Een zwerver die naar alcohol ruikt, komt na de kerkdienst binnen en gaat een kop koffie drinken.
– De twee vrouwen (die met de trouwring) vertellen je na de dienst aan de koffie dat ze blij waren dat ze naar binnen mochten (ja toch?). Bij een andere kerk werden ze weggestuurd.

Schuttingen bouwen
Dacht je bij één van deze vijf situaties: ‘alsjeblief niet’? Die mensen zijn welkom in de kerk, maar liever niet in onze Pinkstergemeente. Had je de neiging een preek af te steken over ‘alcohol is niet goed, want je lichaam is een tempel van God’ of  ‘homoseksualiteit is een zonde’? Dat had een farizeeër ook gedaan.

Niet omdat ze een hekel aan mensen hadden. Maar omdat farizeeën zichzelf zagen als hoeders van de wet. Farizeeën wilden om die reden de menigte onderwijzen in de leer van de Tenach. Ze vonden het oprecht erg dat de ‘normale man’ zo weinig van Gods wetten wist. En een farizeeër wilde zich zeker aan Gods wetten houden.  Daarbij gingen ze uit van het principe: Wie met wijzen omgaat wordt zelf wijs, wie met dwazen verkeert, ondervindt schade. (Spreuken 13:20). Wij zouden zeggen: waar je mee omgaat, word je mee besmet. Uit de vraag van de farizeeën klinkt zelfs erkenning voor Jezus’ gezag door. Ze willen echt weten: waarom eet rabbi Jezus met zondaars die hem “naar beneden kunnen trekken”, terwijl hij ook met andere rabbi’s kan eten?

Ondanks hun goede bedoelingen was er een probleem: de farizeeën hadden tientallen regels en wetjes bedacht naast de Tenach. Niet omdat ze dol op wetten waren, maar vanwege hun eerbied voor God en Zijn wet. Uit angst een wet te overtreden, voegden ze extra wetten toe als een ‘schutting’ om Gods woord. Als je die regels niet overtrad, dan had je Gods wet zeker niet overtreden. Daardoor maakten ze het voor mensen bijna onmogelijk om bij God te komen. Je moest wel heel ‘rechtvaardig’, heel ‘goed’ zijn. Het volgen van de regels werd een doel op zichzelf. De farizeeën haalden die norm – volgens henzelf, en volgens de Joden om hen heen. Daardoor werden ze hoogmoedig en trots; ze keken neer op de mensen die de norm zeker niet konden halen, zoals tollenaars en zondaars. Het is tegen deze achtergrond dat Jezus tegen de menigte en zijn leerlingen zegt:
‘De schriftgeleerden en de farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar; maar handel niet naar hun daden, want ze doen zelf niet wat ze jullie voorhouden. Ze bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten. Al hun daden zijn erop gericht om door de mensen gezien te worden. Ze verbreden immers hun gebedsriemen en maken de kwastjes aan hun kleren langer, ze verlangen een ereplaats bij feestmaaltijden en in synagogen, en hechten eraan op het marktplein eerbiedig begroet te worden en door de mensen rabbi genoemd te worden. […] Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel. Zelf gaan jullie er niet binnen, maar jullie houden ook degenen die er willen binnengaan tegen. (Matteüs 23:1-7 en 13)

Je kunt dus eerbied hebben voor God, Zijn woord kennen en uitleggen, en toch voor anderen een hindernis zijn om Gods Koninkrijk binnen te gaan. Dan ben je niet als Jezus, maar lijk je meer op de farizeeën. Hoe lijk je dan wel op Jezus?

Zondaars volgens Jezus
Jezus ging wel om met tollenaars en zondaars. Waarom? Omdat zonde Hem niet kon schelen? Dat is niet de reden. Jezus geeft verschillende mensen de opdracht om niet meer te zondigen (Johannes 5:14; Johannes 8:11). Jezus vergeeft meerdere mensen hun zonden (Marcus 2:5; Lucas 7:48) en hij geeft Zijn discipelen het recht om zonden te vergeven (Johannes 20:23). Zonde doet er dus toe.

Waarom Jezus omging met tollenaars en zondaars, blijkt uit het antwoord dat Hij de farizeeën geeft in Matteüs 9:
Hij hoorde dit en gaf als antwoord: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

Als we het antwoord dat Jezus geeft goed bestuderen, dan blijkt hoe Hij in enkele zinnen laat zien waar het echt om gaat.
Als eerste zegt Hij: Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel. In Jezus’ tijd geloofden veel mensen dat er een direct verband was tussen ziek zijn en zonde. Dat zie je o.a. in Johannes 9, waar de discipelen een blindgeborene zien en aan Jezus vragen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ De discipelen weten niet wie er gezondigd heeft, maar ze zijn er wel zeker van dat er iemand gezondigd heeft. Jezus geeft als antwoord dat er geen verband is tussen zonde en deze ziekte.
In het antwoord aan de farizeeën sluit Jezus aan de ene kant aan bij dit geloof door het te hebben over zieke en gezonde mensen. En aan de andere kant draait Hij het wereldbeeld van de farizeeën en discipelen volledig om. De mensen worden niet ziek van de zonde; hun zonde is de ‘ziekte’!

Jezus ziet de zondaar als iemand die ziek is geworden en behoefte heeft aan genezende zorg, vergelijkbaar met de zorg van een arts. Deze genezende zorg bestaat hier uit oprechte aandacht door samen te eten. Daarmee werd het genezingsproces ingezet en was er ruimte voor het medicijn: ‘besef van zonde, berouw en vergeving’.
Interessant in dit verband is dat Jezus zichzelf hier een ‘dokter’ noemt. Die uitspraak doet denken aan de Bijbelse metafoor van God als geneesheer. De rabbijnse uitleg koppelde deze genezing aan de kracht van de Torah. Genezing van ziekte lag, volgens een vroege commentator op Exodus 15:26, in het luisteren naar en in praktijk brengen van de woorden van de Torah. Wanneer Jezus hier de leidende, genezende, rol op zich neemt, doet Hij iets wat voorbehouden is aan God, of aan de Torah. De uitspraak over de arts laat zien dat Jezus in staat is om zondaars tot berouw te brengen, zoals Hij direct voor dit geschil met Matteüs (Levi) had gedaan.

De uitspraak werpt ook licht op een ander aspect van Jezus: zoals een arts met zieken omgaat zonder die ziekten te hebben, zo is hij immuun voor corruptie in zijn contact met de tollenaars, de vertegenwoordigers van het Romeinse systeem. Dit was het antwoord van Jezus op de impliciete kritiek van de farizeeën dat contact met zondaars tot corruptie zou leiden. Een maaltijd houden is daarom niet alleen een manier om mensen tot berouw te brengen, maar een strategie die de persoon van Jezus typeert, volgens het verhaal van Mattheüs. [7C]

Jezus at met schriftgeleerden en farizeeërs, tollenaars en zondaars.

Dus in het eerste deel van zijn antwoord zegt Jezus: de zonde is het probleem, niet de zondaar. Daarom moet ik juist met deze mensen eten, om Mij met hen te verbinden. Hoe kan ik ze helpen als ik alle contact met ze vermijd? En dat kan Ik doen zonder bang te zijn voor hun zonden. Omdat ik doe wat God van mij wil, hoef ik niet bang te zijn om ‘besmet’ te worden.

Daarna zei Jezus: Overdenk eens goed wat dit wil zeggen. Deze uitspraak was de farizeeën bekend. Hij werd veel gebruikt door rabbi’s. Het was geen verwijt (zo van: ga de tekst die Ik aanhaal eens lezen). Het was een oproep om dat wat ze zagen, wat ze meemaakten, toe te passen in deze situatie.

Jezus sluit af met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers.” Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

Met de aanhaling uit Hosea 6:6[1] verwijst Jezus naar de Joodse term Gemillut hesed. Dit zijn niet verplichte, onzelfzuchtige acties binnen onderlinge relaties, die iemand uit liefde voor een ander doet. Omdat ze vrijwillig zijn, is er geen wet van God die dit kan regelen. Dat iemand zó liefde toont, is belangrijker dan vastgelegde verplichtingen. Offers zijn goed, maar werken uit liefde zijn beter.

Betekent dit dat de farizeeërs het helemaal mis hadden? Maakt het niet uit welke daden je laat zien? Je daden maken zeker uit. Volgende week zullen we zien hoe Jezus’ liefde, aandacht en overtuiging zondaars in beweging brengt. En hoe we daarin op Jezus mogen lijken.


Voorlopig kunnen we de conclusie trekken dat Jezus aan tafel zat met tollenaars en zondaars om contact met hen te maken en hen aan te sporen hun wegen te veranderen. Jezus wist zichzelf bovendien gevuld met de kracht van Gods, waarmee hij mensen kon aansporen tot verandering [7D].

De farizeeën keken naar wat iemand deed. Als hij zich hield aan de wetten die onderscheidend waren, dan was iemand rechtvaardig. De daden waren belangrijker dan de persoon. Jezus keek naar wat iemand was. De zonde die hij deed was de ziekte, niet de kern van de persoon. En van deze ziekte moest de persoon genezen door omgang met Jezus.

[1] Hosea 6:6 Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.

De Bijbelteksten in deze blog zijn ontleend aan de NBV21 © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2021, tenzij anders aangegeven.

Voetnoten
[7] Ottenheijm, E. 2011. “The Shared Meal—a Therapeutical Device The Function and Meaning of Hos 6:6 in Matt 9:10-13.” Novum Testamentum. Vol. 53, No. 1, 1–21. <https://doi.org/10.1163/156853610×493009>
[7A] blz. 5.‌
[7B] blz. 8
[7C] blz. 13-14
[7D] blz. 11

Onbekend's avatar

Auteur: Bert Peppelman

Man, christen, echtgenoot, (schoon)vader, arbeidsongeschikt, autisme, actief in de kerk, dol op lezen, Bijbelstudie en preken, vakantieganger, verzot op Numenera: al die petjes passen, en nog veel meer.

Plaats een reactie