In de Bijbel heeft God veel verschillende namen en titels: El [God], JHWH [Ik ben die Ik ben, meestal weergegeven met HEERE], Adonai [Heer], en nog meer. God wordt ook beschreven, geroemd om wat Hij doet: God is mijn vesting, God is mijn rots. Maar in het hele Oude Testament is er maar één plek waar God een naam krijgt van een mens. Er is maar één persoon die God een ‘nieuwe’ naam geeft: El Roï. Wie mag dat doen? Eén van de aartsvaders, of koning David misschien? Als je dat denkt, dan zit je er heel ver naast.
Abrams vrouw Sarai baarde hem geen kinderen. Nu had zij een Egyptische slavin, Hagar. ‘Luister,’ zei Sarai tegen Abram, ‘de HEER houdt mijn moederschoot gesloten. Je moest maar met mijn slavin slapen, misschien kan ik door haar nakomelingen krijgen.’ Abram stemde met haar voorstel in en Sarai gaf hem haar Egyptische slavin Hagar tot vrouw; Abram woonde toen tien jaar in Kanaän. Hij sliep met Hagar en zij werd zwanger. Toen Hagar merkte dat ze zwanger was, verloor ze elk respect voor haar meesteres. Sarai zei tegen Abram: ‘Voor het onrecht dat mij wordt aangedaan ben jij verantwoordelijk! Ik heb je mijn slavin ter beschikking gesteld, en nu ze weet dat ze zwanger is toont ze geen enkel respect meer voor mij. Laat de HEER maar beoordelen wie er in zijn recht staat: ik of jij.’ Abram antwoordde: ‘Het is jouw slavin, doe met haar wat je goeddunkt.’ Toen maakte Sarai haar het leven zo zwaar dat ze vluchtte.
De engel van de HEER trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg Hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres,’ antwoordde ze. ‘Ga naar je meesteres terug,’ zei de engel van de HEER, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ En Hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël [‘God ziet en is genadig’ of ‘God zal horen’]. noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ Toen riep zij de HEER, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien [El Roï]. Want,’ zei ze, ‘heb ik hier niet Hem gezien die naar mij heeft omgezien?’ Daarom noemt men de bron daar Lachai-Roï [(de bron van) de Levende die mij gezien heeft] ; hij ligt tussen Kades en Bered.
Hagar bracht een zoon ter wereld, en Abram noemde de zoon die zij hem gebaard had Ismaël. Abram was zesentachtig jaar toen Hagar hem Ismaël baarde. (Genesis 16:1-16)
Naamloos
Aan het eind van Genesis 15 sluit God een verbond met Abram. Abrams kinderen zullen het land Israël erven. Kort daarna slaat blijkbaar de twijfel toe: Abram is midden tachtig, Sarai ook, en zij is onvruchtbaar. En dus besluiten Sarai en Abram om God een handje te helpen. Sarai heeft een slavin; de kinderen die zij krijgt, kunnen als kind van Abram en Sarai tellen. (Datzelfde zie je bij de slavinnen van Lea en Rachel, die kinderen krijgen voor Jakob. Die kinderen tellen volledig als Jakobs kinderen, en vormen de 12 stammen van Israël). De manier waarop Sarai en Abram te werk gaan, is allesbehalve fraai. In vers 2 – 6 wordt Hagars naam niet één keer genoemd! Hagar is letterlijk een ‘levend ding’. Een stukje bezit, zoals een tent of een koe. Het gesprek tussen Abram en Sarai is ook in juridische termen. Sarai staat Abram het gebruik van haar bezit (Hagar) toe. Zij geeft Abram haar slavin tot vrouw. Een wettelijke overdracht, waardoor Abram de autoriteit over Hagar krijgt. Maar Hagar blijft ook de slavin van Sarai; ze moet eerbied aan Sarai tonen en gehoorzaam zijn. Juridisch klopt het allemaal als een bus. Wat kan er misgaan? Sarai en Abram hebben het goed geregeld. Als God niet voor een kind zorgt, dan maar zo.
Logisch: het gaat mis. Hagar wordt – volgens plan – zwanger. En ze verliest het respect voor Sarai: ‘ze heeft toch maar mooi voor elkaar gekregen wat Sarai niet kan’. Het verwijt van Sarai richting Abram klinkt voor ons heel raar. Maar juridisch (in die tijd) heeft Sarai gelijk. Hagar verbreekt de rechtsorde, door Sarai niet meer te achten. Abram laat, als eigenaar-man van Hagar, toe dat Hagar zich zo gedraagt. Dat had hij moeten voorkomen, dus het is Abrams schuld dat Sarai gekrenkt wordt. Voor het gemak gaat Sarai er aan voorbij dat het haar plan was.
Abrams reactie is geschrokken, en uitgesproken slap. Hij zegt niet: Hagar is ook mijn vrouw, en zwanger van me. Hij reageert met: hier heb je jouw (naamloze) slavin terug, ze valt weer volledig onder jouw autoriteit, doe wat je wilt. Zijn handen zijn juridisch schoon.
Hagars is bezit, ze is rechteloos. Sarai pest haar, vernederd haar en het Hebreeuws in vs. 9 wijst erop dat Sarai haar ook slaat. Het wordt zelfs zo erg dat Hagar het ‘ondenkbare’ doet: ze loopt weg. Daarmee verspeelt ze de laatste bescherming die ze nog heeft: iedereen mag met een weggelopen slaaf doen wat hij wil, ook doden.
Bij de naam genoemd
En nu zit Hagar in de woestijn, bij een bron. Eenzaam, niemand, een ding: waardeloos, veracht, zinloos, zwanger en zonder toekomst. En dan, voor de eerste keer in dit verhaal, spreekt iemand haar aan bij haar naam. De engel van de Heer zegt: ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ Dit is niet ‘zomaar’ een engel. In vers 13 staat: Toen riep [Hagar] de HEER, die tot haar had gesproken, aan. Hagar herkent in deze engel God Zelf. Niet een hemelse boodschapper, maar de Heer van de hemel Zelf komt naar deze vrouw toe. Hij erkent haar bestaan, en uit Zijn vraag is duidelijk: Hij kent Hagar. Hij geeft zoveel om haar dat Hij haar (een niemand) in de woestijn (de slechtste plek om te zijn) opzoekt. De vraag die de engel stelt, is vreemd, alsof God het antwoord niet weet. Maar deze vraag dwingt Hagar om haar situatie samen te vatten. Waar ze vandaan komt, dat weet ze: weg bij Sarai! Op het deel ‘waar ga je heen?’, daar heeft ze geen antwoord op. Ze zit op een dood spoor, ze is door haar opties heen.
Heb je wel eens op een punt in je leven gestaan dat je dacht: ik weet het echt niet meer! Dat je, net zoals Hagar, gevlucht bent voor je verleden, en geen enkele toekomst ziet? Dat je het gevoel hebt dat je helemaal nergens meer bij hoort? Dan mag dit je eerste troost zijn. Hagar, een Egyptische, wordt volkomen onverwacht bezocht door de God van de man en vrouw voor wie ze op de vlucht is. En die God, die kent haar. Hij heeft haar ellende gezien, en Hij geeft zoveel om haar dat Hij Zelf uit de hemel komt om met haar te praten. Zo goed kent God je. Zoveel houdt Hij van je.
Nu kun je vragen: als God zoveel van Hagar houdt, waarom laat Hij zich dan nu pas zien? Hij had toch eerder kunnen ingrijpen? Daar heb ik geen antwoord op. Vaak geeft God de mens de kans om zelf keuzes te maken, ook foute keuzes. En om daar ook de gevolgen ervan te dragen. Maar God staat naast de hulpeloze, de verdrukte. Het is alsof God zegt: dit is genoeg, ik ga Hagar opzoeken.
De boodschap van God klinkt ons misschien hard in de oren: Hagar moet terug, weer gehoorzamen aan Sarai. Wel zal ze blijven leven, want ze zal een zoon krijgen. Maar ze blijft slavin.
Naamgever
Hagar reageert meer op het feit dat God met haar spreekt, dan op wat Hij zegt. Ze doet iets unieks: Hagar geeft aan God een naam! Hagar, een Egyptische, een weggelopen slavin, een machteloze: zij mag God een naam geven! Zij noemt Hem: El Roï [God die mij ziet of God van het zien]. En God accepteert deze naam.

Wat maakt het uit dat God van Hagar een naam krijgt? Heel erg veel! Voor ons zijn namen handig, maar vaak zonder betekenis. Ik heet officieel Albert Gerhard Peppelman. Albert betekent: ‘van adellijke geboorte’. Die naam slaat nergens op, want mijn voorouders waren dagarbeiders, boerenknechten, winkeliers, een enkele dominee en fabrieksarbeiders. Gerhard betekent: ‘sterk met de speer’. Ook dat slaat nergens op. Ik jaag alleen op koopjes in de supermarkt, en ik zou niets met een speer kunnen. Het zijn prima namen, maar ze hebben geen diepere betekenis. Maar in de Bijbel, en zeker in Genesis, zie je dat namen heel erg belangrijk zijn. God geeft een naam aan Adam, Abram, Sarai, Ismaël, Isaak en Israël. Met het geven van de naam, legt God vast wie ze zijn, welke persoonlijkheid ze hebben, welke belofte ze van God meekrijgen. De naam vertelt iets over de persoon. Het is de identiteit, het wezen van die persoon.
Dat God een naam van Hagar krijgt, wil zeggen dat Hagar iemand is voor God. Hager, de vrouw die ‘niets is’, Hagar heeft God leren kennen als ‘de Levende die ziet’. En door deze naam te accepteren, zegt God: jij hebt het begrepen! Jij weet wie Ik ben. Ik ben de God die de ellendige echt ziet. En zien betekent meer dan kijken. Zien is: kennen, erkennen, waarderen, echt zien! De naam ‘God van het zien’ zegt dat God Zijn ogen niet sluit voor de ellende, voor de pijn, voor de nood. God is begaan met wie in de woestijn zit en niets meer heeft of kan. Dat is de tweede troost uit dit verhaal. God houdt niet alleen maar van je, Hij ziet je ook. Je bent geen slaaf, geen BSN-nummer. Je bent een mens, waarvoor God in actie komt.
Hij komt in actie bij Hagar, door haar te vertellen waar ze heen moet (terug naar Sarai) en door haar moed en hoop voor de toekomst te geven. Ze krijgt de zoon die God haar beloofd heeft. En opvallend genoeg: in het laatste vers van Genesis 16 is Sarai de grote afwezige. Ismaël is de zoon van Abram – en van Hagar. De God die ziet, is genadig.
God is ook in actie gekomen voor ons. Wij waren slaaf van de zonden en op weg naar de dood. Maar toen kwam Jezus. Hij zag ons en was met ontferming bewogen, omdat we waren als schapen die geen herder hadden. Hij hield en houdt van ons, tot in de dood. Hij ziet ons, ook nu. Dat vieren we, elke keer als we het Avondmaal houden.
De Bijbelteksten in deze blog zijn ontleend aan de NBV21 © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2021, tenzij anders aangegeven.
De tekst van dit blog is gebaseerd op een preek die ik op 3 september 2023 heb gehouden. De preek kijken kan hier: