Voor de opkomst van de QR-code waren er collectezakken: een stoffen zak aan een houten stok. Tijdens de collecte hielden de diakenen de zak onder je neus, zodat je er geld in kon gooien. De zakken waren bewust ondoorzichtig en diep: wat je erin gooide was niet zichtbaar voor andere kerkgangers.

Stel je voor: je krijgt de collectezak aangereikt, en je buurman kijkt welk bedrag jij uit je portemonnee haalt om in de zak te doen. Misschien zou je er niets van zeggen, maar het voelt ongemakkelijk. Zo hoort het niet. Jezus en zijn discipelen doen dat wel een keer. Ze gaan bij de tempel zitten en kijken nadrukkelijk naar wat mensen in de offerkist gooien.
Tijdens zijn onderricht zei Hij [Jezus]: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein,en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans. Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’ (Marcus 12:38-44)
Schriftgeleerden waren mensen die God wilden kennen en over Hem wilden spreken. Ze wilden Hem volgen en over Hem onderwijzen. Dat was een onbetaalde activiteit, een roeping. Een voltijds schriftgeleerde leefde van giften van medegelovigen. Zoals veel zendelingen nog steeds doen, verzamelde een schriftgeleerde toezeggingen voor ondersteuning. Hij moest hij elke maand maar afwachten wat er binnenkwam. Hij werkte voor God, en vertrouwde erop dat God zou voorzien.
De schriftgeleerden begonnen goed: God dienen en Zijn woord kennen. Maar ze kregen een bepaalde status. Ze zagen zichzelf als bijzonder. Vergelijk het met een een beroemde popgroep, een topvoetballer of een geslaagde zakenman. Hij of zij begint aan het vak vanwege de liefde: liefde voor de muziek, de sport of het vak. Iemand die vanuit liefde en roeping werkt, heeft vaak succes. Hoe meer succes, hoe groter de roem. Wie roem heeft, krijgt fans en bewonderaars. Natuurlijk, je houdt nog steeds van je vak. Maar waarom zou je niet genieten van alles wat erbij komt? Je hebt recht op groupies, op het beste eten. Of je komt alleen opdraven als er twaalf labradorpuppies in je kleedkamer aanwezig zijn. Mensen mogen blij zijn dat een beroemdheid aandacht aan ze geeft, dus heb je recht op een speciale behandeling.
Zoiets was ook met de schriftgeleerden gebeurd. Ze waren ‘superheilig’ geworden Niet allemaal; er waren zeker oprechte schriftgeleerden. Markus beschrijft er één in de verzen 28-34 van dit hoofdstuk. Maar een deel van de schriftgeleerden was de oorspronkelijke liefde kwijtgeraakt. Ze onderwezen nog steeds. Ze namen geld aan om hun werk te doen. Het zag er allemaal prima uit: werken in het vertrouwen dat God zou voorzien. Maar dat was de buitenkant.
Waarop vertrouwden deze schriftgeleerden echt? Hun reputatie en kennis. Jezus zegt: ze lopen graag in dure gewaden rond. ze willen eerbiedig begroet worden op het marktplein,en een ereplaats in de synagogen en bij feestmaaltijden. Ze zeggen voor de schijn lange gebeden op. Alles wat ze willen en wat ze doen heeft als doel hun status als ‘idool’, als ‘superheilige’, te onderstrepen. Ik weet niet of dat een bewuste keuze was. Ze waren er waarschijnlijk van overtuigd dat ze vertrouwden op God. Maar waar ze écht op vertrouwden was hun overtuiging dat ze ‘beter’ waren, dat ze recht hadden op een speciale behandeling, dat mensen hun ‘moesten’ ondersteunen. Dat was het ‘verdienmodel’. Daarin gingen ze zover dat ze ook geld vroegen -en aannamen- van weduwen die het eigenlijk niet konden missen. Zo ‘aten ze de huizen van de weduwen’ op.
Jezus en zijn leerlingen keken naar mensen die geld in de offerkist gooiden. Het ondersteunen van de tempel was een mitswe, een religieus gebod waar elke Jood aan wilde en moest voldoen. Er stonden zeven (!) grote offerkisten in de vorm van een hoorn op het tempelplein, aan de kant waar ook vrouwen en vreemden mochten komen. En er werd flink geofferd, soms veel geld. En dat was vaak openlijk: kijk mij eens offeren (herken je de schriftgeleerde?)!
Terwijl Jezus en zijn discipelen toekijken, komt er een vrouw die er twee muntjes in gooit. Twee lepta, de kleinste Joodse muntjes. Dat was niets, een belachelijk laag bedrag. Je hoort de discipelen bijna denken: ‘wat heeft dat voor zin?’ Dat geld van die rijke mensen, daar kan de tempel tenminste iets mee. Dan zegt Jezus: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’
Het onderhoud van de wees en weduwe was ook een mitswe. Deze vrouw had niet zo arm mógen zijn. Alleen: een arme ondersteunen, dat valt minder op. Daarmee krijg je minder eer dan door opzichtig een flink bedrag in de collectezak te gooien. De eer van de schriftgeleerden houdt deze weduwe arm.
De vrouw had twee muntjes. Ze had er één kunnen houden, om niet helemaal dood te gaan van de honger. Maar dat deed ze niet! Ze gaf alles. Wat een vertrouwen. Wat een overgave. Zij had geen sponsors achter zich, zoals de schriftgeleerden. Zij had geen aanzien, geen ereplaats op een feest. Wat ze wel had: vertrouwen. Zij gaf alles wat ze had, omdat zij God vertrouwde.
Ze werd niet gedwongen; ze had een muntje kunnen houden. Het leek zinloos: het bedrag was klein en niemand beloonde haar. En haar gift had de grootste waarde: ze legde haar leven in Gods hand en wist dat Hij bij haar was.
Het is beter om op God te vertrouwen dan op iets of iemand anders. Wees eens eerlijk? Hier staan de schriftgeleerden. Beroemd, geëerd, gerespecteerd. Vertrouwend op eigen kennis, inzicht en macht hebben ze een geweldig leven.
Daar staat de weduwe. Arm, genegeerd, hongerig. Vertrouwend dat God zal voorzien, geeft ze alles wat ze heeft. Mogelijk gaat ze met honger naar bed. Dat vind ze de moeite waard, omdat ze uit liefde aan God geeft wat ze heeft.
Op wie lijk jij? Op wie vertrouw je? Met wie wordt je liever gezien? Hoe vaak geef jij je echt over? Ben je een schriftgeleerde, of de weduwe?
De Bijbelteksten in dit blog zijn ontleend aan de NBV21 © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2021, tenzij anders aangegeven.
De tekst van dit blog is gebaseerd op een preek die ik op 3 juli 2022 heb gehouden in de Pinkstergemeente Jozua in Nijmegen.
Kijk je liever de preek? Dat kan hier.